De bemanningen van de koopvaardijschepen zullen de hele oorlog niet thuiskomen. Er is geen, of nauwelijks, contact met de achterblijvers in Nederland. De vrouwen, kinderen en andere familieleden kunnen alleen via de Engelse radio een beeld krijgen van de algehele oorlog.

Via het Rode Kruis worden families op de hoogte gesteld van het overlijden van man, vader of zoon. Ze horen niets over de gezonken schepen.
De lonen van de opvarenden, die aan de families worden uitbetaald, worden in 1942 door de bezetter verlaagd tot het minimum, gelijk aan een bijstandsuitkering in Amsterdam en later stopgezet. De schepen varen voor de geallieerden en de bezetter ziet de werkzaamheden van de bemanningen als Duits vijandig en dus als sabotage.
De SMN regelt dat de gezinnen wekelijks of maandelijks een bedrag kunnen opnemen bij een aantal banken. De SMN stelt zich hiervoor garant. Dit voorziet de zeemansgezinnen gedurende de rest van de oorlog van voldoende inkomsten. Zo kunnen de vrouwen en kinderen overleven.
 

De Tweede Wereldoorlog laat ook het Oostelijk Havengebied niet ongemoeid. In 1944 worden havenkranen door de Duitsers opgeblazen. Ook het Java-eiland ontkomt niet aan bombardementen. Op de foto de transporteurs aan de Sumatrakade.
Grootschalige vernielingen bij de dokmaatschappijen laten de haven in een ontredderde toestand achter.


Lees verder: Na de oorlog