In de nacht van 10 mei 1940 vallen de Duitsers Nederland binnen. Veel Nederlandse koopvaardijschepen bevinden zich dan in internationale wateren of in geallieerde havens. Een deel ligt echter in Nederlandse havens, waaronder drie schepen van de SMN.
Alle koopvaardijschepen, waarvan twee van de SMN, worden hals over kop de zee op gestuurd. Ze mochten niet in Duitse handen vallen. Het derde SMN schip, de Jan Pieterszoon Coen (de trots van de SMN), wordt op 14 mei in de haven van IJmuiden door de marine tot zinken gebracht. De Amsterdamse haven en het Noordzeekanaal zijn nu ontoegankelijk voor Duitse schepen.
De geallieerde schepen worden aanvankelijk ingezet voor het vervoer van troepen, wapens, vliegtuigen, olie en andere grondstoffen voor Engeland. Vanaf december 1941, als Amerika en Japan bij de oorlog worden betrokken, gaan ze ook op Amerika varen. Ze varen vaak onder de meest gevaarlijke omstandigheden, ze staan bloot aan bombardementen vanuit de lucht en torpedo’s van Duitse onderzeeërs.

Aanvankelijk zijn de koopvaardijschepen onbewapend. Er wordt soms namaak afweergeschut op het dek gebouwd om vijandelijke vliegtuigen af te schrikken. Gaandeweg krijgen de schepen een anti-magnetisch systeem dat voorkomt dat magnetische mijnen zich aan het schip kunnen hechten, er komt geschut op de dekken en met dieptebommen probeert men zo veel mogelijk Duitse onderzeeboten tot zinken te brengen. Naast de aan boord aanwezige Engelse ’gunners’ worden ook de vaste bemanningsleden geoefend in het gebruik van deze wapens.

Duitsland vecht op zee aanvankelijk met de beruchte U-Booten (Unterseebooten) en met vliegtuigen. Later komen daar de slagkruisers bij, snelle, zwaarbewapende schepen. Met name de U-Booten die de hele wereld over varen, zijn een enorme bedreiging en brengen veel schepen tot zinken.
Duitsland probeert de geallieerde landen economisch te ondermijnen door de bevoorradingslijnen af te snijden. Daarom worden zo veel mogelijk koopvaardijschepen uitgeschakeld. Een land als Engeland zou dan zonder voldoende grondstoffen, wapens, munitie, voeding en brandstoffen komen te zitten en zou de oorlog uiteindelijk niet vol kunnen houden.

Vanaf 1941, als Amerika, Rusland en Japan aan de oorlog mee gaan doen, moeten de schepen ook op de noordelijke zeeën gaan varen. De SMN schepen zijn hier eigenlijk niet voor ingericht. Vaak worden ze ook te zwaar beladen, waardoor ze extra kwetsbaar zijn.
Uit veiligheidsoverwegingen gaan de geallieerde schepen ‘in konvooi’ varen onder bescherming van Engelse, en later ook Amerikaanse oorlogsschepen. De konvooien varen over de Noord- en Zuid Atlantische Oceaan, de Indische Oceaan, Golf van Suez en de Stille Zuidzee. Daarnaast zetten de geallieerden grote aantallen vliegtuigen in om de zeeën en de Engelse kustgebieden te verdedigen. Veel schepen vervoeren daarvoor olie en soms hele olie-installaties.
Tijdens de Slag om Engeland in 1940 bombarderen de Duitsers iedere nacht de Engelse havens, die nu ook de thuisbasis van de Nederlandse schepen zijn geworden. Overdag moet de bemanning hard werken om hun schip weer klaar te krijgen voor vertrek. ’s Nachts moeten ze de branden van de bombardementen bestrijden.

Lees verder: M.s. Bintang